Ik ben vaak moe. Niet gewoon een beetje gapen-moe, maar hallucinerend-moe.
Niets nieuws, hoort bij twee kinderen, ze zijn gezond, wees blij dat je ze
hebt, dit hoort erbij, waar heb je het over, je bent toch hele dagen met ze
thuis? Wees blij dat je nog niet hoeft te werken, je hebt lieve kindjes, ze
zijn hartstikke makkelijk.
Dit zijn gedachten waarvan ik denk dat anderen deze over
mij hebben, maar ik heb ze vooral zelf. En ondertussen word ik alleen maar
moeier. Dat is niet fijn voor de mensen om mij heen. Dus probeer ik voor
Boas en Meis de allerleukste moeder te zijn, voor vrienden de eerlijke maar
toch heus wel gezellige vriendin en voor Jeroen ben ik de heks. Dat hoef ik
niet eens te proberen, hij krijgt de volle laag. Elke dag. Ik vind alles wat
hij doet stom, fantaseer over dagen alleen op de hei zitten, of op zn minst dan
die vier minuten op de wc. Niet dat hij daarbij wil, maar Meis wel. Meis die nu
poeslief zit te spelen. En terwijl ik kijk naar een prachtig boeket wat ik vandaag van lieve vrienden
heb gekregen walg ik van mijzelf. Want ondanks het feit dat Jeroen net het
hele huis heeft rechtgetrokken na een uit de hand gelopen paasontbijt, ben ik
boos. Boos omdat hij het dure kussensloopje waar Meis sap overheen goot niet
als eerste in de wasmachine heeft gedaan. Waar. Gaat. Dit. Over.
Ik moet gewoon naar bed.
Maar ik wil naar de Bijenkorf en daar alles kopen wat ik mooi
vind op een credit card zonder limiet. Ik wil naar de sauna, niet een dag maar
een heel weekend. Ik wil een nieuwe spijkerbroek, waarin mijn omgevallen kont
die ooit best strak was er toch weer min of meer leuk uit ziet. Ik wil een
zonnebril waarmee ik een moeder lijk die alles voor elkaar heeft, ik wil
ballerina’s met daarin bruine voeten omdat ik net op vakantie ben geweest naar
een zonovergoten oord. Ik wil een lijf waarmee het niet uitmaakt of ik voor een
bikini of badpak kies, ik wil een nieuwe theepot, een gele. En ik wil een man
die zegt ‘hou op met zeiken’ in plaats van ‘zal ik thee voor je zetten’ en ik
dan boos moet huilen.
Ik moet gewoon naar bed.
Maar eerst zal ik koken, zal Jeroen Meis in bad doen, zal
ik Boas te drinken geven terwijl ik tegelijkertijd mijn koud geworden eten zal
proberen op te eten. Dan zal Jeroen Meis in bed leggen terwijl wij erna samen
de keuken opruimen en ik Boas ondertussen voor de zoveelste keer zal proberen te troosten
met respectievelijk een speentje, de borst, wiegen of aaien omdat hij ’s avonds
slapen gewoon niet leuk vind zo alleen. Ik vouw een was, ruim nog wat op. En
als dat gedaan is, zitten wij zwijgend naast elkaar op de bank. Best trots dat
het allemaal weer gelukt is, maar te moe om te praten. En dan mis ik de tijd
dat ik precies wist hoe hij zich voelde en we energie genoeg hadden om op de
fiets te stappen om ergens iets te gaan drinken. En daar dan samen vol
enthousiasme te praten over het verleden, het heden en de toekomst.
Maar dan hadden we Meis en Boas niet. Twee van onze
grootste gezamenlijke wensen liggen nu in hun bed te slapen. Dus waar heb ik
het over. Jeroen en ik vinden elkaar wel weer.
Ik moet gewoon naar bed.
